Over het onderwijs mag je blijkbaar alles roepen
Binnen een paar dagen tijd (van 9 februari tot 13 februari 2008) zijn er diverse uitspraken gedaan over de kwaliteit en opzet van het onderwijs die op zijn minst ondoordacht en onjuist genoemd kunnen worden. Laten we twee uitspraken nemen die illustratief zijn voor de vele vormen van onjuist benaderen van het onderwijs. In Trouw van 9 februari gaat het over het CITO-onderzoek naar de kwaliteit van het onderwijs dat erop neerkomt dat de kwaliteit de afgelopen 20 jaar onveranderd te laag is. De meetlat voor die beoordeling waren eisen van deskundigen. Dat is op zichzelf al een discutabel en subjectief criterium. Half Nederland neemt nu zomaar aan dat de uitkomsten van het CITO-onderzoek ook ontegenzeglijk waar zijn. Tegenover die onderzoeksconclusies staan internationale onderzoeksgegevens die Nederland tot de subtop beschouwen. Zeg, maar: SC Heerenveen en die kunnen toch ook leuk voetballen. Uit alle uitspraken over dat CITO-onderzoek pikken we als illustratie voor het onjuist beoordelen van de kwaliteit van het onderwijs, de uitspraak van onderwijssocioloog Donkers die in Trouw stelt: het gemiddelde opleidingsniveau van de ouders is de afgelopen twintig jaar gestegen en omdat kinderen hoger scoren naarmate hun ouders hoger opgeleid zijn, zouden de kinderen een hoger niveau moeten bereiken. Dat dat niet gebeurt, kan volgens Donkers maar één ding betekenen: de kwaliteit van het onderwijs is achteruit gegaan. Let voor op de stelligheid dat het maar één ding kan betekenen. Toen ik studeerde, lazen we in het eerste jaar waarin we statistiek kregen, een boekje met de titel: How to lie with statistics. Daarin kwamen voorbeelden voor als: Naarmate er meer mensen ijsjes eten, verdrinken er ook meer mensen. Donkers doet uitspraken van dat type. Een goede wetenschapper weet dat er vaak een derde variabele een rol kan spelen. In het voorbeeld van de ijsjes en het verdrinken is dat natuurlijk het weer. Wij durven te beweren dat er andere factoren zijn die het effect van het opleidingsniveau waar Donkers het heeft teniet doen. Enkele variabelen zijn: vroeger waren de kinderen moe op vrijdag van alles wat ze die week op school gedaan hadden. Tegenwoordig zijn de kinderen op maandag op school moe omdat ze zo’n overladen programma af moesten werken in het weekend en te laat naar bed ging. Ten tweede is er een toename van gedragsproblemen in de klas die de effectieve lestijd doet verminderen. Ten derde zijn er veel hoogopgeleide ouders die nauwelijks tijd hebben om iets cultureels met hun kinderen te doen (veel ouders eten al niet eens meer met hun kinderen aan tafel) en tenslotte heeft het onderwijs zonder aantoonbaar kwaliteitsverlies zoveel veerkracht getoond dat het grote aantallen allochtone kinderen heeft kunnen verwerken. Het laatste op dat gebied is dat men nu in een keer met Poolse kinderen geconfronteerd kan worden. Kortom: het getuigt van grote veerkracht dat het onderwijs ondanks al deze vormen van extra appèl toch in kwaliteit niet achteruit is gegaan.
Een andere onjuiste beoordeling van het onderwijs lazen in we in Trouw van 13 februari met als kop: Extra jaar in kleuterklas weinig zinvol, met als subkop: positief effect is maar van korte duur. Als je vervolgens het stuk leest, wordt door SCO-Kohnstamm-onderzoeker Roeleveld gesteld dat extra kleuteren een weggegooid jaar is. Als je nog verder doorleest, blijkt dat de zittenblijvers tot groep 6, (dus 3 jaar lang!) beter op taal en rekentoetsen te scoren. In groep 8, zo blijkt uit het onderzoek is er geen sprake meer van voorsprong. Voor mij als orthopedagoog die vaak een rol speelt bij beslissingen van overgaan en zitten blijven is dit onderzoek juist een ondersteuning voor de visie dat groep-2-verlenging zeer functioneel kan zijn. Maar liefst drie jaar lang hoeven deze kinderen niet op hun tenen te lopen, kunnen ze het onderwijsaanbod aan en raken ze niet faalangstig. Dus helemaal geen weggegooide tijd en drie jaar effect kun je ook niet kortdurend noemen. We hebben al te veel voorbeelden gezien van kinderen die het niet aankonden in groep 3. Ze werden er dan bijgehaald door de leerkracht, waarbij de leerkracht op een ochtend een half uur onderwijstijd aan de andere kinderen onttrok. Dat die kinderen het bijhouden van het onderwijsaanbod niet volhouden tot het eind van groep 8 is voor veel kinderen te voorspellen. Veel van die groep-2-verlengers zijn geen hoogvliegers en in de bovenbouw van de basisschool verandert de inhoud van het onderwijs. De meeste kinderen komen dan ontwikkelingpsychologisch in de fase van het abstracte denken en bij veel van die groep-2-verlengers komt die fase pas later of komt soms ook helemaal niet. Het is dus logisch dat ze moeite zullen hebben met zaken als het meer abstracte rekenen en het aangeven van wat de hoofdgedachte is in een tekst. Roeleveld stelt verder dat als men kinderen groep 2 laat verlengen door het kind zinvolle dingen te laten doen, het dan geen probleem is. In de 12 jaar dat Roeveld bezig is geweest met het doen van onderzoek zijn er allerlei vormen van functioneel zittenblijven/leertijdverlenging ontwikkeld die hij niet mee heeft genomen in zijn onderzoek. Kortom: wij zien ook wel dat er dingen verbeterd kunnen worden in het onderwijs, maar er worden de laatste tijd veel te veel onjuiste en ondoordacht dingen over het onderwijs geschreven die geen recht doen aan de praktijk zoals wij die aantreffen als we klassenbezoeken uitvoeren. Hoe lang is het trouwens geleden dat al die onderzoeker enkele dagen meegedraaid hebben op een school?
Er is helemaal geen sprake van een leescrisis in Nederland.
In Trouw van 27 november stelt Vernooy van het CPS (Een schoolbegeleidingsdienst en adviesdienst) dat er sprake is van een ernstig leesvaardigheidstekort bij basisschoolkinderen.
Dat is onzin en stemmingmakerij. Nederlandse kinderen van 15 jaar scoren het best m.b.t. de leesvaardigheid t.o.v. de ons omringende landen. (Bron . Min van O.C. en W Education at a Glance, 2002). In april 2003 meldt het Expertisecentrum Nederland van de Katholieke universiteit in Nijmegen (de concurrent van het CPS) ook dat de Nederlandse scholen aan internationale top staan. Volgens onze gegevens hebben geen 15% van de kinderen problemen aan het eind van groep 3 (zoals Vernooy beweert) , maar onderzoeken laten cijfers zien tussen de 5 en 9%. Bij alle cijfers van Vernooy mag u er 5% aftrekken voor de kinderen met dyslexie/structurele leesproblemen. Wij verdenken Vernooy ervan dat hij een thermometer hanteert die bij 37 graden al aangeeft dat er sprake is van koorts om de dokter aan het werk te houden. M.a.w. Vernooy stelt eisen aan het leesniveau die absurd zijn. Zo wordt iedereen ziek gemaakt. Iedere wetenschapper las vroeger al het boekje How to lie with statistics. Beleidsmakers die hier instinken, gooien geld en onderwijstijd weg die beter aan iets anders besteed kan worden.
Vernooy stelt dat zijn CPS-projecten de leesproblemenpercentages terug brengen naar onder de tien en uit onderzoek is gebleken dat leesmethoden als de Leessleutel, de Leeslijn en Veilig leren lezen dat ook al met een gewone leesmethode bereiken. Kortom laat u geen problemen aanpraten. Dat wil niet zeggen dat er geen scholen zijn die die gemiddelde percentages niet bereiken. Incidenteel valt er nog wel wat te verbeteren, maar dat is wat anders dan een algemene LEESCRISIS..
De kleuterschool hoeft niet weer terug
Op 25 november 2005 is (was) er een congres met de titel: De kleuterschool moet terug. Goorhuis en Levering hopen op een groot landelijk debat. Je hebt van die initiatieven m.b.t. het onderwijs die hoogleraren achter hun bureaus bedenken en die op zijn minst gezegd onhandig van opzet zijn. De scholen zijn net gewend aan de basisschool en hebben geen zin in al het werk dat zo’n scheiding met zich meebrengt.
Ook ontwikkelingspsychologisch zitten de hoogleraren fout omdat men zou moeten weten dat er in groep 1 en 2 peuters zitten, maar ook kleuters en kinderen die geen kleuter meer zijn.
Bovendien weten we vanuit België waar nog veel gescheiden kleuter- en lagere scholen zijn, dat men daar streeft naar samenwerking en samensmelting. Kortom; een domme titel. Beter was misschien de vraag geweest of het kleuteronderwijs terug moet. Denkt u maar eens aan dat kleuteronderwijs van 30 jaar geleden (ik heb het gezien) met al die verplichte werkjes, waarbij kinderen verboden werd om het aanvankelijk lezen te starten. Wat is dan HET kleuteronderwijs?
De titel: het kleuteronderwijs moet terug is wellicht ook niet zo’n handige benadering.
Waar moet zo’n congres dan over gaan? Het antwoord is eenvoudig: over de kleuter, of beter gezegd: over de verschillende soorten kinderen in groep 1 en 2 en hoe het onderwijs het beste aan kan sluiten op de verschillende onderwijsvragen die kinderen in groep 1 en 2 stellen. Iedere benadering in het onderwijs van het type HET kleuteronderwijs, DE kleuterschool, DE kleuter, doet geen recht aan de verschillen tussen kinderen en de opdracht die we hebben onderwijs te bieden dat aansluit bij de kenmerken van kinderen. Simplisme en generaliseringen zijn per definitie kindonvriendelijk en dat geldt dus ook voor de opzet van zo’n congres.