Het diagnosticeren van kinderen en ouderen met dyslexie heeft twee functies:
- de bepaling van het label van dyslexie
- het verkrijgen van handelingsvoorstellen (de handelingsgerichte diagnose)
1. de bepaling van het label van dyslexie
Hierbij gaat het om de vraag of de onderzochte voldoet aan de twee basiskenmerken:
- de achterstand en de aard van de problemen moeten als ernstig beoordeeld worden aan de hand van grafieken
- de onderzochte moet minimaal een half jaar begeleid zijn op een verantwoorde wijze, waarbij er toch sprake is van een verder achter raken.
2. het verkrijgen van handelingsvoorstellen
Daarnaast moet de diagnose aanwijzingen opleveren voor de specialistische leesbegeleiding. Dat kan alleen als er sprake is van een verantwoord niveau van diagnosticeren. Daartoe moet een diagnose voldoen aan twee hoofdeisen:
- er moeten leesgedragsanalyses zijn weergegeven in de vorm van beschrijvingen van allerlei vormen van lezen, inclusief begrijpend lezen.
- er moeten dynamische analyses gemaakt zijn. Hierbij gaat het om het vergelijken van scores in de zin van:
De onderzochte heeft leesproblemen op het gebied van de leestechniek en ook .… (het leesbegrip is zwak).
De onderzochte heeft leesproblemen bij het hardop lezen, maar ...… (het stillezen is wel acceptabel).
Om deze vergelijkingen te kunnen maken zijn er voor de onderzoeker expertisesystemen ontwikkeld waarmee u de vergelijkingen gemaakt kunnen worden.Onderstaand is een voorbeeld van zo’n vergelijking weergegeven:
Pas als de onderzoeker allerlei scores met elkaar vergeleken heeft, is het mogelijk om op grond daarvan de leesproblemen te interpreteren en op grond daarvan maatwerk te bieden bij de specialistische leesbegeleiding. Pravoo gaat uit van de dynamisch procesgerichte diagnose. Daarbij wordt er een voorgeschreven onderzoek uitgevoerd dat ongeveer twee uur duurt en dat zich vooral richt op het leesgedrag van de onderzochte en de interpretatie die wordt verkregen door onderzoeksgegevens met elkaar te vergelijken aan de hand van zgn. expertisesystemen. Dat betekent dat het belangrijkste werk niet het afnemen van de toetsen is, maar het naderhand uitvoeren van de drie genoemde analyses. Het onderzoek bevat de volgende onderdelen: een begingesprek om de leesbeleving in kaart te kunnen brengen, het functioneel lezen in een leesboek, bij het aanvankelijk lezen een onderzoek naar het besef van de functie van het lezen, een woordentoets, een teksttoets, een onderzoek naar het leesbegrip, deelvaardigheidstoetsen waaronder de woorddelentoets, woordbeeldautomatiseringstoetsen van hoogfrequente woorden en woordtypen, stilleestoetsen, een glootonderzoek.
Naast het afnemen van deze toetsen wordt de meeste onderzoekstijd besteed aan het analyseren van de onderzoeksgegevens. In het voorafgaande zijn de leesgedragsanalyses (beschrijvingen van hoe het kind leest) en de dynamische analyses (het vergelijken van allerlei scores) al aan de orde geweest. Bij het interpreteren gaat het om het uitleggen van de leesproblemen. We geven een voorbeeld:
Flip heeft leesproblemen in de vorm van dyslexie. Hij heeft een zwakke leestechniek en een matig leesbegrip bij een acceptabel mondeling taalniveau. Zijn leesproblemen kunnen dyslexie genoemd worden, vanwege de ernst van de achterstand, de aard van de problemen (veel harmonisaties), de stabilisatie in de ontwikkeling en vanwege het feit dat hij al extra hulp heeft gehad.
Het gaat om leesproblemen die verklaard kunnen worden vanuit de volgende achtergronden:
- Er is sprake van woordbeeldautomatiseringsstoornissen en decodeerproblemen. Hij leest zinnen op AVI-3 niveau, maar de vlotte herkenning van AVI-3 woordtypen is nog onvoldoende. Losse woorden lezen heeft nog een lager niveau.
- Op grond van die automatiseringsproblemen en decodeerproblemen heeft Flip een onjuist aanpakgedrag ontwikkeld in de vorm van spellend lezen, dat te maken heeft met een overactiviteit van de rechterhersenhelft.
- Er is sprake van een taalinterpretatiestoornis. Hij heeft een acceptabel mondeling taalontwikkelingsniveau, maar dat kan hem niet helpen bij het voorspellend lezen en hij kan daarvan ook geen gebruik van maken bij het leesbegrip.
- Onvoldoende beheersing van woorddelen
- Onvoldoende vlotte letterherkennin
- Onvoldoende vlotte auditieve synthese
- De traagheid waarmee hij het lezen en andere activiteiten benadert (rustig de tijd nemen voor het ontsleutelen) verklaart voor een deel de leesproblemen
- Matig zelfvertrouwen (kan ook een rol spelen bij het spellend lezen).
|
|
|
interpretatie |
programma-voorstel: |
|
Het kind heeft problemen met het lezen van teksten. |
Het kind leest losse woorden wel op niveau. |
Er is sprake van een taal-interpretatie-stoornis. |
Voer uit programma E. (een programma uit het Handboek) |