Het nationaal actieplan gedrag

Voor de aanpak van gedragsproblemen en de begeleiding van de sociaal-emotionele ontwikkeling is het belangrijk een samenhangend geheel van maatregelen te nemen en niet te volstaan met wat losse ‘dingetjes’. Het nationaal actieplan gedrag biedt in de vorm van acht acties zo’n samenhangend plan. Het nationaal actieplan gedrag is helemaal opgenomen en uitgewerkt in de nieuwe gedragsorthotheek en wordt niet meer los geleverd.

 Onderstaand worden die acties kort aangegeven:

actie 1 De preventie van gedragsproblemen
Bij het begeleiden van de sociaal-emotionele ontwikkeling is het niet alleen belangrijk om adequaat te reageren op probleemgedrag, maar is het even belangrijk om dat probleemgedrag te voorkomen.

Dat kan als volgt:

  1. door te zorgen voor een goed pedagogisch klimaat. In het nationaal actieplangedrag zijn de volgende aspecten uitgewerkt: de openheid van het onderwijssysteem, de omgang tussen de leerkrachten onderling, het omgaan met prestaties, de omgang tussen de kinderen onderling, de omgang tussen de leerkrachten en de kinderen, de ruimte, de schoolregels. Wat dat laatste betreft stellen we voor de schoolregels te beperken tot drie schoolregels, nl. een regel voor het omgaan met elkaar, een regel voor het bewegen binnen en buiten en een regel voor het omgaan met de materialen.
  2. door te zorgen voor een juiste manier van reageren op wat er dagelijks spontaan plaatsvindt op het geb webwinkel.html ied van de sociaal-emotionele ontwikkeling. Voor kinderen anno 2002 is eensporigheid en eenduidigheid belangrijk
  3. door te zorgen voor een systematisch aanbod op dit gebied, m.a.w. een leergang 'gedrag'.

Meer over de bakjesaanpak
Als kinderen ongewenst gedrag vertonen, reageren de meeste leerkrachten daar wel op. Maar regelmatig roepen ze vertwijfeld: ,,Ik heb dat al zo vaak gezegd." Vaak is er sprake van incidentenbeleid. Het is nodig om in te grijpen bij gedragsproblemen, maar het is ook nodig om kinderen preventief te leren hoe ze met elkaar om moeten gaan. Men kan daarvoor een papieren methode hanteren met boeken, werkbladen en schrijfwerk, maar men kan ook werken met de bakjesaanpak.

Daarbij gaat het erom dat iedere leerkracht op haar of zijn bureau een kaartenbakje heeft met daarin 40 kaartjes; voor iedere schoolweek een kaartje. Op de kaartjes staan inhouden van vier typen:

  1. sociaal-emotionele begrippen, zoals bang, boos beleefd, etc.
  2. sociale vaardigheden, zoals iemand iets vragen, een cadeautje overhandigen, etc.
  3. sociaal-emotionele denkfouten, zoals: als je iemand niet aardig vindt, mag je hem plagen, of: als spullen niet van jou zijn, hoef je er ook niet netjes mee om te gaan, 
  4. waarden en normen zoals tevredenheid, trouw, etc.

Al deze preventievormen zijn uitgewerkt in het Handboek voor gedrag & gedragsproblemen. In deze map staat hoe u de bakjesaanpak op kunt zetten, hoe u ermee kunt werken en de map bevat de lijsten met inhouden waaruit u kunt keizen en tips met werkvormen. Dat is een Pravoo-uitgave. Pravoo biedt schoolbegeleiding op deze aspecten. Verzoek om toezending van de scholings- en begeleidingsgids via email: info@pravoo.nl

U kunt gratis een papieren versie van het  Nationaal actieplan gedrag bij Pravoo bestellen. U kunt ook inhoudelijke vragen stellen. Doe dat met de nu volgende balk.

actie 2 Een geheel nieuw leerlingvolgsysteem 

Eerst maar even een hedendaags probleem
Kenmerkend voor veel kinderen tegenwoordig is dat ze alibiseren. Dat wil zeggen dat als men kinderen aanspreekt op hun ongewenste gedrag ze reageren met:  ,,Maar hij deed het ook". Dat betekent dat kinderen steeds minder op hun eigen functioneren aangesproken willen worden. De uitdrukkingen sorry en per ongeluk hebben geen inhoud meer maar worden automatisch gebruikt om van het pedagogische contact af te komen. Dat maakt het opvoeden steeds moeilijker  want je dringt minder makkelijk tot de kinderen door. We leven in een sorrycultuur. Dat betekent dat ieder hedendaags leerlingvolgsysteem zinloos is als het die persoonlijke aanspreekbaarheid niet opneemt in haar systeem. Als u zich op dit moment aan het oriënteren bent op een leerlingvolgsysteem voor gedrag moet u dan ook controleren of die persoonlijke aanspreekbaarheid opgenomen is in het systeem. Pravoo heeft de persoonlijke aanspreekbaarheid opgenomen in EGGO (de Eerste Genormeerde GedragsObservatiekaart)

Algemene kenmerken

EGGO heeft de volgende kenmerken:

Het kernwoord; laagdrempeligheid
Kenmerkend voor EGGO is de laagdrempeligheid. In het laatste proefjaar hebben 25 scholen verspreid over geheel Nederland meegeholpen om het systeem zo te ontwikkelen dat het in de praktijk makkelijk uitvoerbaar is. Dat betekent:

Waarom geen computer?
Er is tegenwoordig een idee dat een leerlingvolgsysteem pas verantwoord is als je er een computer bij nodig hebt. Pravoo gaat er vanuit dat een leerlingvolgsysteem pas goed is als je er geen computer voor nodig hebt.

Door de opzet van een kaart voor groep 1 t/m groep 8 in te vullen maakt u meteen al een ontwikkelingsoverzicht voor een kind.

Daarvoor heb je dus ook al geen computer nodig. Die gegevens invoeren in een computer zou onnodig werk betekenen.

Door het boekje ,,Eerste hulp bij gedragsproblemen” hebt u ook geen zoeksysteem voor de hulpverlening nodig omdat dat al kant en klaar is.

Wat biedt EGGO nog meer?
Door de opzet van een kaart voor groep 1 t/m 8 kan deze kaart ook goed gebruikt worden bij de rapportage aan de ouders. Ouders kunnen makkelijk de ontwikkeling van hun kind zien.

Met EGGO kunt u ook een groepsoverzicht maken en zo bekijken wat u met de gehele klas aan kunt gaan pakken of welke kinderen er de meeste problemen hebben. De kaart voor het groepsoverzicht zit in de handleiding.

Het groepsoverzicht is handig bij leerlingbesprekingen. Iedere leerkracht  toont dan het groepsoverzicht van haar/zijn groep, laat zien wat het groepsonderwerp is en welke kinderen een speciale zorg nodig hebben en dat betekent dat leerlingbesprekingen veel sneller plaats kunnen vinden dan voorheen

Door de groepsoverzichten van de gehele school te bekijken, ziet u ook snel welke problemen er op schoolniveau het meest voorkomen zodat u ook een algehele aanpak voor dat probleem op schoolniveau uit kunt gaan voeren

EGGO bestaat uit:

actie 3 De diagnose
Veel leerkrachten geven aan dat ze allerlei kennis- en vaardigheidsaspecten van kinderen kunnen diagnosticeren, maar in 1999 gaven 87% van de leerkrachten aan niet in staat te zijn de sociaal-emotionele ontwikkeling te kunnen diagnosticeren. In het actieplan wordt aangegeven dat er twee soorten diagnoses zijn, nl.:

Van de groepsleerkracht mag men verwachten dat deze in staat is om kinderen gericht te observeren. Gericht wil zeggen dat er niet met vage grootheden wordt gewerkt, zoals: het kind heeft  gedragsproblemen, of: het kind heeft werkhoudingsproblemen, of: dit kind is lastig, maar dat er concreet gedrag in kaart wordt gebracht, zoals de manier waarop het kind zich gedraagt als de leerkracht instructie geeft, of de manier waarop het kind contact zoekt met andere kinderen tijdens het buitenspelen. Daarbij moet de leerkracht gebruik kunnen maken van gerichte en analytisch opgezette observatielijsten. Dergelijke lijsten, kijkwijzers, zijn nodig om gericht te kunnen observeren. Zo maar wat naar kinderen kijken is geen observeren.

Tenslotte dient de leerkracht in staat en bereid te zijn te overleggen met collega's en ouders.

Op grond van het spreken met derden en de observaties van het kind heeft de leerkracht zicht gekregen op het functioneren van het kind.

Een speciale vorm van diagnosticeren is de groepsdiagnose, waarbij het gaat om een beeld van de dynamiek van een gehele groep. Er komen in het onderwijs groepen voor met het algemene kenmerk van onrust, overgevoeligheid voor veranderingen, veelvoorkomend agressiegedrag of pestgedrag. In die gevallen is er een groepsgerichte diagnose nodig. 

Het GES-onderzoek
Soms kan het nodig zijn dat er bij verharde gedragsproblemen ook iemand anders dan de groepsleerkracht het kind onderzoekt. Dat hoeft niet altijd meteen een schoolbegeleider te zijn, het kan ook een interne begeleider zijn. Die interne begeleider moet dan wel meer kunnen doen dan de leerkracht. Dat uitgebreide onderzoek van de interne begeleider wordt het GES-onderzoek genoemd. Dit bestaat ook uit het observeren van en het spreken met anderen over het kind, maar daarbij komt nog iets extra's, nl. het kamertjesonderzoek. Daarbij voert de interne begeleider een voorgeschreven onderzoek uit dat bestaat uit:

Het GES-onderzoek is een geheel nieuwe loot aan de stam van de diagnoseboom en biedt de interne begeleider mogelijkheden zich professioneel te onderscheiden van zijn collega's. Het spreekt vanzelf dat ook de ambulante begeleider van het speciaal onderwijs in staat moet zijn om het GES-onderzoek uit te voeren.

De remedial-educator
In 1998 is Pravoo als eerst begonnen met de opleiding tot remedial-educator, de remedial-teacher voor gedragsproblemen. Vraag de opleidingsgids aan: info@pravoo.nl

actie 4 De begeleiding

De top-3
Als kinderen verharde gedragsproblemen vertonen in de vorm van agressiegedrag, of aandacht trekken dan hanteren leerkrachten in gewoon en speciaal basisonderwijs de volgende drie benaderingswijzen:

  1. praten
  2. belonen/negeren
  3. afzonderen/straffen

Praten met een kind met gedragsproblemen, en  dan vaak praten in de zin van preken of zeggen wat u van het kind verwacht, gaat uit van twee vooronderstellingen:

Van veel kinderen met gedragsproblemen is bekend dat ze verbaal niet zo goed zijn, zodat al dat gepraat tegen die kinderen weinig effect zal hebben. Soms zijn die preken zo langdurig, dat een kind dichtslaat door de te grote hoeveelheid taal. Ook kan het voorkomen dat kinderen braaf knikken en zeggen dat ze het er mee eens zijn om er maar vanaf te zijn. Vaak heeft dat te maken met de beperkte taalverwerkingscapaciteit van het desbetreffende kind.

Daarnaast gaat men er vanuit dat als je tegen iemand zegt wat hij moet doen, hij dat ook kan. Dus, als iemand maar zegt hoe je moet tennissen, dan kun je het ook wel. Dat is voor volwassenen al moeilijk, maar voor kinderen is het uitvoeren van zo'n gedragsopdracht nog veel moeilijker.

Veel kinderen hebben zo weinig zelfsturingsmogelijkheden, dat het verbeteren van gedrag op grond van verbale aanwijzingen niet verwacht mag worden.

Hieruit blijkt dat bij de begeleiding vaak op het verkeerde paard wordt gewed. Ook bij het belonen en negeren kan men zich afvragen of dat altijd haalbaar en verantwoord is. Daarnaast is het ook bekend dat er steeds dezelfde kinderen voor straf op de gang staan. Kortom: men kan spreken van de tragedie van de top-3 omdat dat weinig invloed heeft op ernstige gedragsproblemen en toch blijft iedereen het maar doen.

In het Handboek Gedrag & gedragsproblemen stellen we voor de top drie te wijzigen in:

  1. visualiseren: in plaatjes weergeven wat er mis gaat, wat er goed gaat, waar het kind aan moet denken, waarom het kind iets doet, hoe anderen over het gedrag van het kind denken, wat het kind heeft meegemaakt ,waaraan gewerkt gaat worden,  etc.
  2. oefenen: het concreet intrainen van gewenste sociale vaardigheden
  3. spel als invalshoek in groep 1 en 2 in de vorm van het verwerken van pedagogisch handelen in speelsituaties
  4. het toepassen van speciaal op bepaalde gedragsproblemen toegespitste technieken in vorm van speciale technieken voor adhd, pdd-nos, agressie, faalangst, etc. zodat er maatwerk wordt geleverd omdat confectiewerk te weinig effect laat zien.

Nieuw
In het EGGO-project (zie actie 2) is het boekje Eerste hulp bij gedragsproblemen opgenomen met meer dan 500 eerste tips en programma's.

actie 5 De relatie met de thuissituatie
Kinderen komen niet vanuit het luchtledige het onderwijs binnenvallen. Ze hebben een voorgeschiedenis en worden in eerste instantie gevormd door hun ouders/verzorgers.

Dat wil zeggen dat de school met die ouders en verzorgers te maken heeft in de zin van:

In het boekje ‘Je kunt ze maar eenmaal opvoeden’ hebben we dit voor de ouders beschreven. Het is een handzaam klein boekje, dat u in de voorlichting aan de ouders kunt gebruiken.

Nieuw
Veel leerkrachten hebben weinig opleiding gehad t.a.v .het omgaan met ouders. Pravoo biedt hulp in de vorm van het boekje: Moeilijke kinderen, moeilijke ouders. (Pravoo-update €9,-)

Daarnaast is in 2004 verschenen de kopieermap Tips voor thuis met voorlichtingsbrieven voor kinderen van 4 tot 12 jaar. Zie de webwinkel bij 11.16

actie 6 De relatie met het SBO

Waar wil uw samenwerkingsverband naar toe?; afstemmen of hulpverlenen of allebei?

Verder
In het boek Het kind van de eeuw: het kind van de rekening (red. de Groot en van der Ploeg, Houten 1999) beschrijven van Rijswijk en Kool de ontwikkelingen binnen te speciaal onderwijs. Nu medio 2002 is het weer tijd om als samenwerkingsverband te kijken hoe men gestalte wil geven aan die verdere ontwikkeling van het sbo en het bao.

Discussie
Veel beleidsmakers binnen samenwerkingsverbanden beseffen dat ze gestalte moeten geven aan de zorgverantwoordelijkheid binnen een bepaalde regio. Men pretendeert bottum-up te werken en uit te gaan van wat er in de basisscholen leeft. Toch moet geconstateerd worden dat er nog veel ideologisch denken is binnen samenwerkingsverbanden. Zo is er een stroming die de komende tijd gestalte wil geven aan afstemming. De basisgedachte is dat men leerproblemen en gedragsproblemen ziet als een mismatch tussen kindkenmerken en onderwijsgevende kenmerken.

Impliciet of expliciet gaat men er vanuit dat er eigenlijk geen problemen zijn. Als die match tussen de kenmerken van het kind en de leerkracht maar goed is dan vervallen de problemen.

In die gedachte zitten twee denkfouten die duidelijk worden in de stelling: als iedereen maar gezond leeft, wordt er niemand ziek.

De denkfout heeft twee componenten, nl.:

De huidige situatie
Het ter wereld komen met een gedragsstoornis is als evident geaccepteerd, gezien de huidige kennis van de kinderpsychiatrie en t.a.v. de grenzen van de hulpverlening nog enkele opmerkingen. Binnen het gewone basisonderwijs is er een toename van gedragsproblemen. Binnen het EGGO-project is dat aangetoond (EGGO-rapport).  Ook maatschappelijk is het bekend dat normvervagingen tot steeds meer conflicten leiden in sociale situaties. Voor veel leerkrachten staat het water al zover tot de lippen dat men stelt: Hij eruit of ik eruit (zie het artikel daarover in het novembernummer 2002 van het Praxisbulletin. Een gegeven is dat niet alleen de Eerste Kamer het rugzakje heeft tegengehouden, maar dat er ook vanuit de praktijk geprotesteerd is. Een ander gegeven is dat ook de problematiek binnen het speciaal onderwijs toeneemt. Nu beginnen sbo-scholen steeds meer op ZMOK-scholen te lijken. Veel sbo-leerkrachten zijn gericht op beheersing van de situatie en doen hun best om het niet uit de hand te laten lopen en 15.00 uur te halen. Veel leerkrachten in bao en sbo zitten niet op afstemming en verbetering van een match te wachten. Ze willen hulp bij het oplossen van problemen en het is te gemakkelijk om alle problemen als leerkrachtproblemen te bestempelen. Voor de leerproblemen heeft men immers dezelfde ontwikkeling meegemaakt. Veel leerkrachten kunnen al gerichte hulp bieden bij leerproblemen en weten dat er kinderen zijn met ernstige leerproblemen die externe hulp nodig hebben of met een minimumprogramma moeten werken.

Voor gedrag stelt men hetzelfde vast. Soms is men het eindeloos begeleiden door de SBD en het nog maar weer proberen van een aanpak moe en wil men een oplossing; Hij eruit of ik eruit!

De richting

Als samenwerkingsverbanden echt uit willen gaan van de basis is dan is het volgende aan te bevelen:

Als sbo’s niet verder komen dan 15 probleemkinderen bij elkaar te zetten en de gehele dag met PAD bezig te zijn, is de meerwaarde van het sbo niet aantoonbaar.

Flexibiliteit
Het sbo moet af van de starre schoolvorm zoals die nu zo kenmerkend is. Het sbo moet zich ontwikkelen naar een orthopedagogisch expertisecentrum waarbij er naast een goede afstemming tussen de sbo-leerkracht en kinderen ook vormen van specialistische therapie mogelijk moeten zijn. Kinderen moeten voor korte of langere tijd speciale begeleiding kunnen ontvangen, waarbij er ook crisisopvang mogelijk is zonder de bureaucratie van PCL en andere procedures. Bottum-up benaderingen gaan uit van de werkelijkheid en niet van een ideologie. Men moet de grenzen van de afstemming inzien en als alles is geprobeerd (zie de standards)hulpverlening kunnen bieden. Als men stopt na het afstemmen dan gooit men het kind (en de leerkracht) met het badwater weg.

Het motto is dus: na het afstemmen moet er hulpverlening mogelijk zijn.

Het actieplan voor het SBO
Voor het speciaal onderwijs is er eenzelfde actieplan als voor het gewone basisonderwijs. Hiernaast is dat actieplan weergegeven. Scholen voor gewoon onderwijs moeten er in hun regio van op aan kunnen dat ze een of meer scholen voor speciaal onderwijs in hun midden hebben, die specialisten hebben op het gebied van de gedragsbegeleiding. Bij de scholen voor speciaal onderwijs gaat het om de volgende kenmerken:

  1. Ze weten waar ze mee bezig zijn:
    1. Ze hebben een theorie. Dat betekent dat ze duidelijk aangegeven van welke schijf ze uitgaan of welke verklaringsmodellen ze hanteren. Dat moet een leerkracht vanuit het gewone basisonderwijs ook aan hen kunnen vragen. Het is duidelijk dat er zonder zo'n model geen sprake kan zijn van een verantwoorde begeleiding van problemen op het gebied van de sociaal-emotionele ontwikkeling.
    2. Ze weten wanneer ze externe deskundigen in moeten schakelen. In het speciaal onderwijs moet men de beschikking hebben over een verfijnde interne en externe sociale kaart. Bij wie moet je zijn voor welke problemen?
  2. Ze hebben drie soorten diagnose-mogelijkheden:
    1. Diagnose in de groep. Leerkrachten in het speciaal onderwijs moeten kinderen in de klas kunnen diagnosticeren
    2. GES-onderzoek. Dat is het onderzoek dat uitgevoerd kan worden door interne specialisten in het speciaal onderwijs en in elk geval door  de ambulante begeleider.
    3. Persoonlijkheidsonderzoek. Dat is het onderzoek dat pedagogen en psychologen uit moeten kunnen voeren.
  3. Ze hebben een flexibel basiscurriculum: Een duidelijke leerweg m.b.t. de sociaal-emotionele ontwikkeling.
  4. Ze hebben pedagogische differentiatiemogelijkheden:
    1. 4.1 Groepsdoorbroken. Er zijn mogelijkheden om op bepaalde momenten in de week kinderen met eenzelfde type hulpvraag in groepjes te begeleiden.
    2. Deelplannen in de groep. Hierbij gaat het om het werken met deelhandelingsplannen.
  5. Ze geven opvoedingsvoorlichting:
    1. Incidenteel.
    2. Opvoedingsspreekuur.
  6. Ze geven ouderbegeleiding: Van een basisschool voor gewoon onderwijs mag men verwachten dat men oudertips kan geven, maar vanuit het speciaal onderwijs zijn er mogelijkheden tot ouderbegeleiding.
  7. Ze hebben remedial education:
    1. Ze kunnen een klinische sessie uitvoeren. Dit is het begeleiden van kinderen met gedragsproblemen in een kamertje.
    2. Ze kunnen spelbegeleiding/-therapie bieden. Een belangrijke communicatievorm voor jonge kinderen is het spel; daarom moet men die communicatievorm bij gedragsproblemen kunnen hanteren.
  8. Ze kunnen een individueel handelingsplan uitvoeren, waarbij alle geledingen betrokken zijn, zoals bijv.de leerkracht bewegings
  9. Ze hebben een expliciet orthopedagogisch klimaat:  Men heeft een algemeen geldende benaderingswijze van kinderen beschreven. Deze mag namelijk niet afhankelijk zijn van de persoonlijkheid en de ervaringen van de leerkracht.
  10. Ze hebben een of meer expertises (ADHD, POS, o.i.d.): M.a.w. ze hebben een of meer duidelijke specialismen.
  11. Ze kunnen hun eigen handelen evalueren: Het handelen van de leerkracht wordt bij de evaluatie betrokken.
  12. Ze hebben een kindvolgsysteem.
  13. Ze kunnen ambulante gedragsbegeleiding bieden: Ze hebben hun collega's in het gewone basisonderwijs iets te vertellen.

actie 7 De sociale kaart
Sociale kaart is de aanduiding voor een verzameling van hulpverleningsinstanties. Daarbij moet men bij het woord kaart in de eerste plaats denken aan de geografische kaart, d.w.z de hulpverleningsmogelijkheden in een bepaalde regio.

Die hulpverleningsmogelijkheden worden vaak in almanakken of adreswijzers ondergebracht. Een bekende sociale kaart is de Sociale kaart jeugdzorg, uitgegeven in boekvorm bij Bohn Stafleu Van Loghum in Houten. Dat is een boek waarin per provincie de hulpverlening is ondergebracht. Men kan daarmee ook per regio een sociale kaart samenstellen.

De functie van een sociale kaart
Een sociale kaart speelt een rol in het hulpverleningsaanbod van een school. Als u in uw groep een kind met bijvoorbeeld gedragsproblemen hebt en u vindt dat er specialistische hulp voor de ouders moet komen, dan kunt u die visie aan de ouders voorleggen. Soms komen ouders zelf met een hulpvraag. Van de school mogen de ouders opvoedingstips verwachten, maar voor thuisbegeleiding moeten de ouders naar externe instanties. Op het moment dat de ouders die stap naar de hulpverlening willen maken is het handig, dat de school een overzicht heeft van alle hulpverleningsmogelijkheden in de buurt. Een sociale kaart is in de praktijk meestal geen echte kaart, maar een map met daarin overzichtelijk per instantie een showmap met korte informatie en het foldermateriaal van die instantie. U kunt als leerkracht de ouders een instantie voorstellen, maar u kunt de ouders ook de map ter lezing geven en ze zelf een instantie op laten zoeken. Er zijn zorginstanties die door de AWBZ of verzekeraars betaald worden en er zijn ook allerlei particuliere initiatieven van een of enkele pedagogen/psychologen. Bij de laatste groep zijn de wachttijden kort, maar moeten de ouders de kosten zelf betalen; bij de eerste groep zijn de wachttijden lang, maar worden de kosten vergoed. 

Hoe maak je een sociale kaart?
Naast de mogelijkheden die scholen hebben om hulp te bieden aan kinderen met sociaal-emotionele problemen zijn er externe hulpverleningsinstanties. Elke leerkracht kent dergelijke instanties wel. Het ontwikkelen van een sociale kaart begint met het inventariseren van alle bekende externe hulpverleningsinstanties. U kunt ook ouders om adressen vragen. Na telefonisch contact met de genoemde hulpverleningsinstanties stuurt u deze een brief waarin u vier gegevens kunt vragen, nl.:

De beste opzet
Het ontwikkelen van een regionale sociale kaart is echt een klus voor een samenwerkingsverband. In de regio Roosendaal is een sociale kaart in gebruik, waarbij men is uitgegaan van hulpvragen zoals: eetproblemen, slaapproblemen, concentratieproblemen, agressie, etc. In een tabellenoverzicht is daarop te zien welke hulpverleningsinstantie hulp biedt bij een bepaalde vraag. Dat is eigenlijk de meest geschikte opzet van een sociale kaart.

actie 8 De basis
Het is tegenwoordig vrijwel onmogelijk om zomaar ouders op school kinderen met rekenproblemen te laten begeleiden. Er is een grote kans dat die ouders hun eigen trucjes aan de kinderen overdragen en meer afbreken dan opbouwen, omdat ze niet op de hoogte zijn van de inhoud van de moderne rekendidactiek. Evenals bij het rekenen is ook bij de sociaal-emotionele ontwikkeling enige basiskennis onontbeerlijk om kinderen met gedragsproblemen te kunnen begeleiden. De basiskennis kan er voor zorgen dat u structureel en gericht bezig bent met de sociaal-emotionele ontwikkeling van kinderen.De basiskennis m.b.t gedragsproblemen dient de volgende vier inhouden te bezitten:

    1. zicht hebben op het domein van gedrag en gedragsproblemen. Het is belangrijk dat u weet welke aspecten er eigenlijk allemaal op school aangepakt moeten worden om tot een samenhangende begeleiding te kunnen komen. Het Nationaal Actieplan Gedrag biedt dat overzicht in de vorm van de acht acties. U kunt met behulp van dit actieplan ook uw eigen actieplan ontwikkelen.
    2. zicht hebben op de verklaringen voor gedragsproblemen. U kunt er bij de begeleiding immers vanuit gaan, dat de kinderen onbedorven ter wereld komen en later het verkeerde gedrag aanleren, wat u ze weer af moet leren.

Er zijn ook mensen die uitgaan van het gegeven dat de problemen vooral door de ouders van de kinderen veroorzaakt worden.

In het actieplan gedrag gaan we uit van de schijf van zeven. Zie het overzicht bovenaan de pagina. Daarbij zoeken we de oorzaken van het problematisch functioneren van kinderen in de kenmerken van het kind zelf, de schoolsituatie en de thuissituatie. Bij de kenmerken van het kind gaat het om:

  1. ik-trek: aangeboren kenmerken
  2. ik-verbaliteit: taalvaardigheden
  3. ik-socialiteit: sociale vaardigheden
  4. ik-emotionaliteit: gevoelsleven
  5. ik-zelfbeeld
    1. het is belangrijk om zicht te hebben op de achtergronden van de verschillende soorten gedragsproblemen. Het maakt heel wat uit of u op school te maken hebt met een kind met ADHD of met een kind dat in korte tijd twee keer met de dood in aanraking is gekomen. Achter ieder type gedragsprobleem ligt ook een andere achtergrond. Het is belangrijk om niet de confectieaanpak te hanteren, maar de kinderen maatwerk te bieden
    2. tenslotte is het belangrijk om zicht te hebben op het thuismilieu van de kinderen.

In het Handboekvoor Gedrag & gedragsproblemen hebben we daarbij niet gekozen voor een opsomming van risicofactoren in de thuissituatie, maar van de thuiskenmerken die gunstig zijn voor een kind.  Pas als u een basis hebt gekozen, hebben de andere acties een fundament. We hebben er voor gekozen om de basis als laatste te behandelen, omdat er in het onderwijs enige afkeer best aai van theoretische zaken. In het onderwijs bestaat een sterke voorkeur voor het praktische boven het theoretische.Uiteindelijk MOET het ook praktisch zijn, maar er is niets zo praktisch als een goede theorie. In het model var het actieplan is te zien, dat alle acties toch op de basis zijn gebouwd. 

De papieren versie van het Nationaal actieplan gedrag is tegenwoordig opgenomen in de nieuwe gedragsorthotheek. U kunt ook inhoudelijke vragen stellen. Zie voor bestellingen de webwinkel en voor vragen de contactpagina van deze site.

top