Op deze pagina wordt in het kort informatie gegeven over het redzaamheidslezen 

De decodeersnelheid

 

Sinds 1972 maken scholen gebruik van een tempowoordentoets om daarmee een inschatting te maken van de leesvaardigheid van kinderen. Vóór 1972 waren er ook al wel leestoetsen zoals de Enschedese leeskaarten van Van Calcar. Vanaf 1972 kwam er echter door het verschijnen van de Een-Minuut-Test (EMT) van Brus en Voeten (1972) een stroomversnelling in het toetsen van het leestempo. Aanvankelijk was de instructie met betrekking tot het tempo dat het o.a. vlug moest (‘Probeer die (de rijtjes woorden) eens vlug en duidelijk te lezen.’) Als aanwijzing werd nog gegeven: Hierbij wordt er op ‘vlug’ niet meer en niet minder de nadruk gelegd dan op ‘duidelijk’. (Brus en Voeten 1972; 56)

 

Eigenlijk komt hier de nauwkeurigheid als instructie nog helemaal niet aan de orde. Duidelijk heeft een geheel andere connotatie dan: nauwkeurig.

Bij de meest recente versie van de DMT (Cito 2017), als opvolger van de EMT, is de instructie o.a: snel (Probeer die (de woorden op de achterkant van de kaart) snel en met zo weinig mogelijk fouten voor te lezen).

Als extra gerichtheid op het tempo volgt nog de aanwijzing dat als de eerste rij gelezen is direct doorgegaan moet worden met de woorden van de volgende rij.

 

Goed lezen is snel lezen?

 

Hoewel er ook wel gewezen wordt op de leesnauwkeurigheid is toch langzamerhand het idee bij kinderen (en leerkrachten) ontstaan dat goed lezen toch vooral snel lezen is. Iedereen die regelmatig de DMT afneemt zal ook kunnen vaststellen dat kinderen bij de afname van de DMT, na de toetsinstructie, in de startblokken gaan staan en op een onnatuurlijke manier de woorden uitspreekt. Veel kinderen lezen niet alleen snel, maar spreken ook vaak de woorden op een onnatuurlijke korte staccatomanier uit. In een van de subonderzoeken van het redzaamheidsproject hebben we kinderen die gewend waren te racen tijdens het lezen de toetsinstructie van het redzaamheidslezen gegeven. Die instructie hebben we twee keer herhaald en gevraagd of men het begrepen had. Sommige kinderen gingen daarna toch weer dat racelezen toepassen. (Toen is de instructie weer herhaald.) Blijkbaar zit dat erin geslepen omdat ze weten dat dat zo beoordeeld wordt.

 

Snel werd de norm

 

Ooit heeft men dus in grote getale gekozen voor de instructie snel als een van de twee gewenste kenmerken van het lezen. In de literatuur is de DMT altijd met betrekking tot het snelheidsaspect kritiekloos geaccepteerd. (Ahlers, 210; 41, Braams, 1996; 58, Gijsel, 2016; 51, Huizenga, 2016; 162, Struiksma 2009; 60, Van der Leij, 2017; 61, Verhoeven2002; 47).

Het Cito heeft een poging gewaagd de tijdsfactor eruit te halen. (mondeling meegedeeld) Dat is echter niet gelukt. Men heeft al die jaren geaccepteerd dat snel lezen de norm is en niet gewoon lezen.

Bij Vernooij (2006; 33) komen we voor het eerst de leescompetentie tegen in termen van: Hij kan de tekst in normaal tempo lezen. Dat normaal is echter nergens geoperationaliseerd en is daarmee niet bruikbaar. 

 

Midden groep 3 maken de meeste kinderen voor het eerst kennis met de DMT. Ze komen uit een periode van de eerste 4 maanden rustig lezen. De meeste kinderen leren in die eerste periode de elementaire leeshandeling. Nu moet het bij de toets eind januari/begin februari opeens snel. 

De kinderen komen ook voor het eerst in aanraking met een beoordeling van hun leesniveau. De methodegebonden toetsen tot nu waren een min of meer onopvallend deel van de gewone leesmethode. Ook de ouders krijgen te horen welke kwalificatie er bij de leesprestatie van hun kind hoort. Dat kan een A, B, C, D, E zijn of een: I, II, III, IV, V zijn. Bij een C, D of E is het effect van de eerste periode leren lezen tegenvallend en dat geldt ook voor een IV of een V.  De norm voor het lezen is vanaf midden groep 3 snel lezen en niet 'gewoon' lezen. 

 

Sommige ouders krijgen te horen dat het belangrijk is dat men thuis ook met het kind gaat lezen en bepaalde kinderen krijgen op school al een eerste vorm van speciale leesbegeleiding die vaak ook al na de herfstsignalering is begonnen. Veel scholen hebben een idee wat het gewenste eindniveau van groep 3 moet zijn en gaan er vanuit dat als kinderen dat binnen het leerstofjaarklassensysteem niet behalen, ze moeite zullen hebben met de inhoud van het onderwijs in groep 4 en verder. De eerste spanningen ontstaan in deze periode.

 

Bij veel kinderen hebben de tegenvallende prestaties in deze eerste periode te maken met een trage woordbeeldherkenning, een onvoldoende klank-tekenkoppeling en spellend lezen als strategie. Ook onnauwkeurig lezen komt voor. Een belangrijk bestanddeel van de speciale leesbegeleiding in deze periode is dan ook het decoderen, maar op veel scholen vooral ook het leestempo.

Ter verbetering van het leestempo zijn er allerlei technieken voorhanden en een van de technieken is het zogenaamde racelezen.

 

 

Racelezen is een oefenvorm die veel gebruikt wordt om kinderen te leren sneller te lezen. Daarbij wordt meestal het herhalend lezen toegepast en het bijhouden van de hoeveelheid gelezen woorden met een stopwatch. Voor veel kinderen betekent dat ‘ploeteren’. Om het gewenste hoge tempo van het snelle lezen te bereiken, moeten ze vaak veelvuldige race-activiteiten uitvoeren.

Veel instituten bieden dit aan. Daarbij gaat het erom de snelheid van de woordherkenning te verhogen. Sommige instituten (OBD Noordwest, z.j.) hebben een aanbod om scholen te helpen om 80% van de kinderen op niveau A/B te krijgen. Binnen de instructie 'snel' van het Cito behaalt 50% van de kinderen een A/B-score. Dat betekent dat men het nog sneller wil dan snel.

 

Het DMT-effect

 

Aan het eind van groep 3 zijn de meeste kinderen er zich wel van bewust dat het lezen ook snel moet. Het toetsgedrag vanaf eind groep 3 is dat kinderen er bij de toetsafname voor gaan zitten en voortgeduwd door de instructie zich schrap zetten, klaar voor de start en zo vlug mogelijk van start gaan en daarna proberen om snel te lezen. 

Rond eind groep 3 ontstaat het DMT-effect, dat als kenmerken heeft:

  • kinderen denken op basis van de toetservaringen dat het lezen vooral snel moet. Goed lezen is voor de kinderen snel lezen.
  • kinderen denken ook op basis van de leesbegeleidingstechnieken zoals het racelezen dat het lezen snel moet.
  • veel kinderen lezen dan ook veel te snel en te gejaagd als ze een voorleesbeurt hebben.
  • veel kinderen zien op tegen de toetsafname. Die toetsstress kan de score negatief beïnvloeden.
  • kinderen met leesproblemen lezen te snel voor hun kunnen en maken te veel leesfouten. 
  • door de snelheidscomponent van de DMT en het racelezen zijn kinderen minder op de inhoud gericht, hetgeen ten nadele kan werken t.a.v. het leesbegrip.
  • bij de begeleiding van kinderen met leesproblemen wordt er te veel tijd besteed aan het behalen van het gewenste tempo. Men streeft immers naar een B of minimaal een hoge C. 
  • het racelezen kan ook een nadelige invloed hebben op de leesmotivatie.

 

Het redzaamheidslezen

 

Het redzaamheidslezen is een reactie op het snel lezen en gaat er vanuit dat snel hardop lezen niet functioneel is. Wel functioneel is een gewoon leestempo. In dit rapport worden de criteria voor gewoon lezen aangegeven en wordt tevens gerapporteerd wat de implementaties en implicaties zijn van het project redzaamheidslezen.

 

De definitie

 

Redzaamheidslezen is een leeskwaliteit die gekenmerkt wordt door een tempo waarmee de kinderen zich ten aanzien van het technisch lezen voldoende kunnen redden en waarbij de kinderen er tevens van bewust zijn dat het bij het lezen uiteindelijk gaat om de tekstverwerking.

 

Onderzoek

 

In september 2015 meldde de Radboud Universiteit over een onderzoek van De Leeuw op het gebied van de leesvaardigheid en de tekstverwerking. Snelle lezers bleken  niet per se goede lezers. Sterker nog: een hoge leessnelheid kan bij technisch zwak lezende kinderen contraproductief zijn voor het tekstbegrip. ‘Het leesonderwijs is volgens De Leeuw erg op snelheid gericht. Leestoetsen zoals de Eén- en Drie-Minuten Toetsen, maar ook AVI-toetsen, meten het leesniveau en kijken daarbij vooral naar leessnelheid. Hiermee krijgen leerlingen het idee dat snel lezen belangrijk is. Uit het onderzoek bleek o.a. dat niet de snelheid van lezen, maar de omvang van de woordenschat bepaalt hoe goed een kind een tekst begrijpt.

Ook deze onderzoeksgegevens relativeren de betekenis van het op snelheid trainen van de leesvaardigheid.

 

Het redzaamheidsproject

In 2018 is het onderzoekproject op het gebied van het redzaamheidslezen gestart. Daar doen ruim 120 scholen aan mee en ongeveer 3000 kinderen. In 2018 is gestart met de kinderen in groep 3 en die groep kinderen wordt gevolgd totdat ze in eind groep 7 zijn aangekomen.

Voor dit project is een speciale website ontwikkeld met alle detailinformatie.

 

Zie daarover de onderstaande link: